Arbeidsdiscriminatie en je best doen


Iets met argumenten dichttimmeren en onwrikbaar maken is niet moeilijk als je de beweegruimte van je gedachten beperkt. Frank Kalshoven in zijn Argumentenfabriek laat in een uitstekende redeneertrant Tamara van Ark korte metten maken met de arbeidsgehandicapten, in wat ik met veel plezier arbeidsdiscrimininatie noem. Als je dan toch je burgers als productie-eenheden ziet en hen die onrendabel beschouwd worden in Nederland weer terug wil stoppen in het arbeidsproces, zodat de productie- en consumptiecyclus per individu te verantwoorden is, moet er op de een of andere manier geld bij.

Je kunt mensen betalen voor gedane arbeid. De mate waarin jou dat waard is, hangt in eerste instantie af van hoeveel geld je zelf hebt en wat je bereid bent af te staan. Daarbij houd je zelf in de gaten wat het betekent voor je levensstandaard. Dat kan heel simpel zijn. Maar we leven in een maatschappij, waarbij we voor elkaar die levensstandaard proberen te ondervangen om dit proces stabiel te houden. Dat gaat om de waarde van ruilmiddelen, producten, behoeften en wensen, maar ook de structuur van dat systeem zelf. De balans van dit enorm complexe systeem hangt daarbij af van het vertrouwen wat we in elkaar hebben om dat zo te houden. En dat vertrouwen vaart het best op een systeem, waarbij we allemaal ons best doen.

In een land als Nederland zetten we dat ook weer af tegen dezelfde soort systemen in andere landen en toetsen daarbij het wederzijds vertrouwen in elkaar. Het is natuurlijk complexer geworden omdat naast landen daarbij multinationals eenzelfde vertrouwenswisselwerking spelen en de landen, multinationals en grote bufferstructuren die we hebben opgericht, zoals banken, pensioenfondsen, verzekeraars en speculanten deze vertrouwensfactor kunnen beïnvloeden. Ons persoonlijk, groeps, maatschappelijk, en politiek begrip daarin is in hoge mate gevormd naar aanleiding van hoe het in het verleden heeft uitgepakt.

Zo leeft een gemeenschap altijd met angsten om de balans te verliezen en is onze generatie gedrild met het besef dat met vergrijzing van het volk de spoeling dun zal worden in een wereld waar we het concurrentieprincipe hanteren. Want we denken in vraag en aanbod, maar uiteindelijk komt het neer op ‘wie doet wat’ als het gaat om de balans die we nodig hebben met onze levensstandaard. Als het puur gaat om productie, wordt het dan interessant om te kijken naar de groep mensen die letterlijk de handen uit te mouwen steken om productiemiddelen om te zetten naar producten. Van hen die een schroefje aandraaien tot hen die het systeem technisch overzien en weten wie waar in te zetten voor onderhoud. De producten die we nodig hebben zijn de dingen die voorwaardelijk zijn dat we blijven leven en op een zo gezond mogelijke manier. Een minimale levensstandaard.

Alle andere dingen, zoals de administratie, bijhouden van wederkerigheid op elk niveau van menselijke interactie (of we wel eerlijk genoeg met elkaar omgaan, en rekening houden met elkaars gevoelens, tussen individuen tot op bedrijfs-, volks- of landsniveau) en het introduceren van veranderingen daarin zijn striktgenomen bijzaak. We waarderen dat echter juist enorm. Zij die zich daar mee bezig houden hebben veel invloed in de balans van het geheel en dat blijkt en laten we blijken met het symbool waar we ons wederzijds vertrouwen ook mee uitdrukken. Individuen in deze positie verdienen relatief veel geld. Maar echt produceren doen ze niet.

Als dit soort individuen daarbij ook beheer hebben over de grondstoffen of productiemiddelen, dan zijn ze ook nog eens weinig kwetsbaar als ze niet streven naar het behoud van de balans in het maatschappelijk systeem. Dan kan met het accent leggen op de productie zelf, in plaats van waar het allemaal om begon, namelijk met elkaar een stabiele samenleving maken en behouden. Die samenleving is het meest stabiel als iedere individu leefvrijheid heeft en zich zo vrijwillig mogelijk kan inzetten binnen dat systeem van samen leven. Kortom… van onszelf uit ons best doen.

De productiesystemen die wij dan definiëren zijn zogenaamde ondernemers. Zij doen er goed aan om zo’n systeem te optimaliseren, waardoor het in het geheel zo stabiel mogelijk blijft. Daarbij kijk je logischerwijs naar hen die als raders in een mechanisme jouw product genereren ten opzichte van de gewenstheid van dat product in het geheel van onze maatschappij. Je genereert tegelijk ook een buffercapaciteit, voor de stabiliteit in de toekomst en dat noemen we dan belasting. Dat laatste onttrekken we aan alle interacties waarbij we onderling ruilhandel hebben. Die buffercapaciteit is dus feitelijk gereserveerd voor hen die dan striktgenomen niet produceren, maar de vertrouwensbalans in evenwicht moeten houden. We gaan er daarbij altijd vanuit, dat ze hun best doen.

Om nu terug te komen op de representant van mensen die deze vertrouwensbalans in evenwicht moeten houden, namelijk Tamara van Ark. Zij heeft in haar hoedanigheid een aantal gereedschappen om die balans te houden maar dan toch de minimale levensstandaard te garanderen. De algemene rechten van de mens is een overeenkomst waar we die levensstandaard dan ook op toetsen. Zij is zelf van een politieke partij, die heilig gelooft dat alles mogelijk moet zijn, zolang we maar een concurrentiepositie houden, als land. En ja, dat bewijst zichzelf. Maar dan hoef je ook bijna nergens meer over na te denken.

De afgelopen tien jaar hebben we onze maatschappij daarom veranderd van een optimaliserende maatschappij, naar een maximaliserende. Bijna elke menselijke handeling daarin krijgt een productiewaarde mee en zo kan men (eigenlijk virtueel, want als arts kun je bijvoorbeeld wel dit soort cijfertjes aanleveren, maar ‘gezondheid’ is niet meetbaar en uiteindelijk komt het alleen maar op gedraaide uren neer) voor elke sector een rendementsbepaling hanteren.

De arbeidsgehandicapte heeft in dat systeem echter een negatief rendement. Dat komt met name omdat wij de levensstandaard van de individu zelf niet meerekenen in dit systeem, of in ieder geval van ondergeschikt belang achten. In een optimaliserend systeem gingen we er zelfs vanuit dat ondanks negatieve productiewaarde, de ontwikkelingswaarde van de individu voor zichzelf van belang was. Nu hebben we het alleen nog maar over een ontwikkelingswaarde voor de productie. Alsof de productie zelf een reden is voor de maatschappij en de maatschappij alleen maar kan bestaan uit productie.

Dit is een directe vertaling van onze concurrentiepositie naar het belang van een individu. Zo is iemand die ziek is alleen nog maar interessant om aan te verdienen. Hanteren we zelfs in ziekenhuizen al winstoogmerk. Als je dus als balanshandhaver en aanzien van levensstandaard hier het accent op legt, dan doe je naar mijn mening niet je best. Je verlegt de waarde van de maatschappij van de mens naar het systeem zelf. Dat is alsof je alle meetlatten in de wereld gaat gebruiken, om te bepalen of de standaard meter nog wel klopt, in plaats van dat je het toetst aan een standaard definitie. Algemene rechten van de mens is zo’n definitie.

Wij hebben zo in die laatste tien jaar de positie van de arbeidsgehandicapte van optimaal naar minimaal gereduceerd. Tien jaar geleden maakte het eigenlijk niet uit wat je deed, als je maar iets deed. Dan verdiende je zelfs meer dan minimumloon bij een normale werkweek, maar je kon ook nog aardig wat aanvullen op je uitkering als je die werktijden niet redde. Het voordeel was dat je in een gemeenschap vertoefde en structuur en aanspraak had. Dat werd met stappen gemaximaliseerd naar productiecapaciteit.

Ook binnen de SW (Wet Sociaal Werk) voldoe je nu niet meer als volwaardig lid van de maatschappij, als je niet genoeg productiecapaciteit hebt. Het gaat er niet meer om, of je als mens gewoon je best doet om binnen jouw leefwijze mee te doen aan de maatschappij. En die situatie beantwoordde wel aan de algemene rechten van de mens. Zelfs in de geest ervan, daar waar we nu grenzen opzoeken in de letter.

Met de keuring bij het UWV is men op papier de chronisch zieke/gehandicapte al als een tweederangs burger gaan behandelen door alleen naar productiecapaciteit te kijken. Het argument -dan moet je maar ander werk gaan doen- bij ziekte heeft een bepaalde rekbaarheid. En ook -iedereen moet wat doen- is een rekbaar begrip. Als je iedereen die niet bedlegerig is voor 50% goedkeurt in het kader ‘iedereen moet wat doen’ is dat logischerwijs misschien houdbaar. Maar als je die 20 uur nodig hebt om je leven al in het gareel te houden, dan is dat niet meer dan een statistische realiteit.

Verder is er dan nog een arbeidsmatig oordeel. Als je functioneren minimaal kantoor- of productiewerk kan zijn, maar je handicap met zich meebrengt dat je het niet langer dan tien uur per week in zo’n omgeving uithoudt, zonder gekgillend naar huis te moeten van overprikkeling en de werkzaamheden zelf meer automatismen zijn zonder voldoeningselement… Ik geef het u te doen om dan nog een minimale levensstandaard te realiseren, of zelfs zo gezond te blijven als dat je al was. En dat alles om langs de lat gelegd te worden van ‘productiecapaciteit’

Maar laten we dan met z’n allen de arbeidsgehandicapte weer in het arbeidsproces injecteren. Vroeger lag die verantwoordelijkheid bij de werkgever/ondernemer, tot die het rendement kon berekenen. Daarna lag de verantwoordelijkheid bij de overheid tot die het rendement kon bereken. Nu ligt de verantwoordelijkheid bij de arbeidsgehandicapte, want je gaat werken voor je uitkering en misschien daar nog iets bovenop. Ik heb dat de afgelopen tien jaar feitelijk al gedaan en weet dat het geen rendement heeft.

Ik ben veroordeeld tot een uitkering en wat er ook maar aanvult, want mijn werkzaamheden moet ik op een voor mij geschikte plek en geschikte tijden doen. Het kan zo weken stilliggen en dan een korte explosie van productie kennen. Ik betaal mijn vrijheid en (mede)menselijkheid met een steeds maar slinkende uitkering en de minachting van hen die in maakbaarheid geloven. In dit hele systeem van arbeidsdiscriminatie kun je dus heel welwillend aan het kortste eind trekken, want het is niet meer genoeg dat je als mens je best doet. Ondertussen word je onder het credo ‘gelijke kansen’ zelf verantwoordelijk gesteld voor je zogenaamd falen.

Dus Frans Kalshoven kan het gelijk van Staatssecretaris van Ark best onwrikbaar duiden. Maar voor mij valt dat toch in een categorie, waarbij iemand met haar positie haar best niet doet om een maatschappelijke balans te kiezen voor dit soort besluiten. Ik weet dat Tamara van Ark leeft met een soort mantra, waarbij een mens gewoon moet werken voor zijn uitkering. Ze vertaalt dat echter niet naar een vertrouwen dat iemand zijn of haar best doet om te functioneren in de maatschappij, maar een bewijs dat iemand uren ‘productie draait’ in een betaalde baan. Kortom, voldoet aan je productiecapaciteit. Maar ik denk dat mensen die hun best niet doen, minder waard zijn dan hen die een te lage productiecapaciteit hebben, als je dan toch wilt arbeidsdiscrimineren.


Leave a comment