De waarde van geld is van oorsprong ruilpotentiaal. Binnen de micro-economie is dat in essentie ook nog wel zo, maar meer als ‘gedragsmomentpotentieel’, door de mens als stroomvector te benaderen. Daarmee doel ik op consumptiegedrag. Waardebepaling van valuta gebeurt op macroniveau, waarbij derivaten als ‘winst op winst bij corporaties’ en ‘liquiditeit van accumulatiepotentiaal op investeringen’ (denk aan aandelenportefeuilles bij verzekeraars, banken en multinationals) de waarden bepalen.Uiteindelijk blijft alles een kwestie van ‘vertrouwensrelaties’, maar er zijn ontelbaar veel onderlinge afhankelijkheden. Voor de feitelijke waarde hebben ze (banken) ons geld niet nodig, zolang er geen andere manier is om ons persoonlijk kapitaal elders te stallen. (daarbij is schuld overigens ook onderdeel van dat kapitaal, want dat is uitgesmeerd naar de toekomst.) Daarom is rente op het lenen van geld ook niet meer interessant. Banken zijn striktgenomen verzekerd van ondersteuning, omdat het systeem een kaartenhuisstructuur heeft. Zo kan een bank aandelen hebben, in een bedrijf dat weer aandelen heeft in diezelfde bank. Dergelijke webstructuren zitten ongetwijfeld bij grote multinationals in computersystemen verwerkt, zodat ze precies weten welke bedrijven, hedgefunds, banken, landen, verzekeraars kwetsbaar zijn voor bijvoorbeeld overname of anderszins.
Daarbij is het een dankbaar element in speculaties… Het ‘goksysteem’ wat de onderlinge waarden en daarmee betrouwbaarheden bepaalt. Het moge duidelijk zijn dat dit een traag piramidespel is.

